Opiniestuk: Geen behoefte aan elite-universiteit

Zin en onzin van universitaire rankings

Niemand zit te wachten op één Vlaamse elite-universiteit waar alleen de knapste koppen les geven of volgen, zeggen rector Mark Waer en vicerector Peter Marynen in een opiniestuk. Een universiteit moet ook ruimte bieden aan aanstormend talent.

Geregeld duiken internationale universitaire rankings op, zoals donderdag jongstleden de Times Higher Education Ranking. Wat is de zin en onzin daarvan?

De eerste vraag bij een vergelijking van universiteiten is wat hun opdracht is en hoe die te meten valt. Universiteiten hebben meerdere opdrachten: onderwijs, wetenschappelijk onderzoek, maatschappelijke dienstverlening en – gezien het toenemende belang van kenniseconomie en globalisering – de vorming van wereldburgers. Die grote verscheidenheid aan factoren is niet in één score te vatten. Er bestaat ook onenigheid over de meetinstrumenten. Vandaar dat er zo veel rankings bestaan (Shangai, Times Higher Education, QS World, Center for Higher Education, Leiden) en dat de resultaten vaak erg uiteen lopen.

Leren de rankings ons dan niets? Waarschijnlijk wel, en zeker twee dingen wat de Vlaamse universiteiten betreft. Eén: de meeste van hen zitten in de top 200. In rankings met enkele duizenden instellingen betekent dat een plaats bij de 5 tot 10 procent beste van de wereld. Dat is zeer behoorlijk, als men rekening houdt met de geringere financiering in vergelijking met de Angelsaksische universiteiten.

Twee: geen enkele Vlaamse universiteit zit bij de eerste twintig. Die plaatsen gaan naar de Amerikaanse elite-universiteiten (Harvard, Yale, Princeton, Columbia, Stanford , MIT) en de twee grote Europese uitzonderingen, Oxford en Cambridge.

Wetenschappelijke output

Vraag is of Vlaanderen een beleid zou kunnen voeren zodat ook een Vlaamse universiteit bij de top-20 zou kunnen behoren, en of dat voor de Vlaamse samenleving een voordeel zou zijn.

Op de eerste vraag is het antwoord wellicht ja. Recent hebben wij voor de K.U.Leuven de volledige wetenschappelijke output, die zwaar doorweegt in de rankings, vergeleken met die van de Amerikaanse topuniversiteiten. We kwamen op 45 tot 50 procent van de Amerikaanse toppers. Dit percentage komt ongeveer overeen met dat van de wetenschappelijke output van de K.U.Leuven in vergelijking tot de totale Vlaamse universitaire output.

De output van alle Vlaamse universiteiten samen komt dus overeen met de gemiddelde output van een Amerikaanse topuniversiteit. Anders gezegd: concentreer de Vlaamse wetenschappelijke productie in één ‘elite-universiteit' en we halen de top-20. Daarvoor zijn twee dingen nodig die alle elite-universiteiten kenmerken. Zo'n Vlaamse elite-universiteit moet alleen de allerbeste studenten mogen ‘selecteren'. Amerikaanse topuniversiteiten laten maar 5 tot 10 procent van de kandidaat-studenten toe. Daarnaast moet ze hoge inschrijvingsgelden kunnen vragen. Het inschrijvingsgeld aan Amerikaanse topuniversiteiten ligt vier tot vijf keer hoger dan de financiering per student door de Vlaamse overheid. Als we zo'n universiteit creëren, zullen ouders met briljante student-kinderen die kinderen naar de elite-universiteit sturen. Ze zullen ervoor betalen, of lenen. Ook de knapste professoren zullen naar deze universiteit gaan, omdat ze er meer middelen krijgen en de knapste studenten kunnen rekruteren voor hun onderzoek.

Maar wil de Vlaamse samenleving dit? De Vlaming denkt niet elitair en de ‘niet-elite'-instellingen zullen de elite-instelling proberen te hinderen, om te bewijzen dat ze niet beter is. En wat zijn de baten? Elite-instellingen trekken zonder twijfel internationale studenten en professoren aan, wat in ‘het gevecht om talent' in een kennisgedreven wereld niet onbelangrijk is.

Daarnaast leidt, volgens sommigen, concentratie van talent op één plaats tot synergie en tot meer kwaliteit. Want, zeggen ze, grensverleggend onderzoek erkend door Nobelprijzen en publicaties in toptijdschriften komt in grote mate van elite-instellingen. Maar wat is oorzaak, en wat is gevolg? Leveren elite-professoren hun topprestaties omdat ze werken binnen een elite-universiteit? Of zijn ze door de universiteit aangetrokken omdat ze voordien al toppers waren? Soms zijn toponderzoekers ook individualisten die niet uit zijn op interactie en hoppen ze van de ene elite-instelling naar de andere, op zoek naar steeds betere faciliteiten.

Kritische massa

Moet de universiteit overigens ook geen ruimte en middelen geven aan aankomend talent? De aanwezigheid van toptalent in verschillende instellingen kan hierin een belangrijke rol spelen. Ze werkt vaak ‘wervend' en kan stimulerend zijn voor een brede regio. Maar ook in dit model blijven kritische massa en een zekere concentratie van middelen noodzakelijk.

De K.U.Leuven is met andere woorden niet gewonnen voor de concentratie van mensen en middelen in één elite-universiteit in Vlaanderen, zeker niet met als enig doel door te stoten naar de top van de rankings. We zijn wel voorstander van een concentratie van de bestaande middelen om de nodige kritische massa voor toponderzoek en toponderwijs te garanderen.

Daarmee zitten we weer bij onze aanvangsvraag: hebben universiteitsrankings zin? Waarschijnlijk wel, binnen een ruim internationaal referentiekader, op voorwaarde dat men ze voldoende ‘relativeert'. Wanneer men verschillende rankings naast elkaar legt, geeft dat wellicht een goed globaal zicht op de relatieve positie van een universiteit op internationaal vlak. Maar wie op grond van de huidige rankings een beleid inzake universiteiten wil voeren voor een regio met een eigen cultuur, moet daar omzichtig mee omspringen.

Dit opiniestuk verscheen op 8 oktober in De Standaard.

Rob Stevens
Mark Waer
Rob Stevens
Rob Stevens
Peter Marynen
Rob Stevens