Thesis over verschil in studiekeuze tussen jongens en meisjes

Dat er aan de Vlaamse universiteiten — en dus ook in Leuven — veel meer mannelijke dan vrouwelijke (toekomstige) ingenieurs rondlopen, is geen nieuws. Nu weten we echter ook hoe dat komt en wat eraan te doen valt, dankzij de eindverhandeling van Ansfried Hoydonckx, die nu op het Departement Sociologie werkt.

Ansfried: “Ik heb in mijn thesis, begeleid door professor Veerle Draulans, onderzocht wie of wat eerstejaars ingenieurs- en ingenieurs-architecten heeft beïnvloed bij hun studiekeuze. Ik heb daarbij mogelijke verschillen onderzocht tussen mannelijke en vrouwelijke ingenieursstudenten, om zo te achterhalen wat de oorzaken zouden kunnen zijn voor het bijzonder lage aantal meisjes dat een ingenieursstudie aanvat. Meisjes-ingenieurs maken hun studiekeuze meestal later dan hun mannelijke collega’s, wellicht omdat het beroep nog sterk als mannelijk beroep gestereotypeerd wordt.”
“Meisjes worden ook meer beïnvloed bij het maken van hun studiekeuze. Ze nemen aan meer infomomenten deel dan jongens, en praten ook met meer verschillende personen: ouders, leerkrachten, vrienden, studenten, ingenieurs… Opvallend is dat zowel voor jongens als meisjes geldt dat mensen met wie men verhoudingsgewijze het minste praat, toch de grootste invloed hebben, met name, de studenten in de ingenieursopleiding en mensen die al ingenieur zijn. Eveneens opmerkelijk: voor meisjes blijken gesprekken met hun moeder een belangrijke factor, voor jongens geldt dat evenwel niet, ook niet voor gesprekken met hun vader.”

Hogeropgeleide ouders
“Meisjes-ingenieurs hebben vaker les gekregen van vrouwelijke leerkrachten wiskunde en wetenschappen, jongens-ingenieurs hadden vooral mannelijke leerkrachten. In hoe ze hun studiekeuze motiveren, lijken jongens en meisjes dan weer sterk op elkaar, behalve wanneer het gaat over de sociale status en het financiële aspect van het ingenieursberoep. Die zijn vooral voor jongens van belang, terwijl de meisjes eerder het contact met anderen belangrijk vinden. Een laatste vaststelling: bij vrouwelijke ingenieursstudenten zijn de ouders hoger opgeleid. Mogelijk geven hogeropgeleiden hun dochters minder gangbare opvattingen mee en kiezen zo verhoudingsgewijze meer meisjes uit die groep voor een ingenieursopleiding.”
In 2001 was zestien procent van de ingenieursstudenten nog vrouwelijk, vier jaar later is dat nog tien procent. Wat zijn de mainstreaming promotoren voor de Faculteit Ingenieurswetenschappen — de professoren Sabine Van Huffel en Jos Vander Sloten — van plan daaraan te doen? “Omdat uit Ansfrieds thesis bleek dat vooral vrouwelijke leerkrachten een invloed hebben op de studiekeuze van hun leerlingen, hebben we besloten vooral de groep van leerkrachten te sensibiliseren. Dat doen we onder meer met illustratiemateriaal voor lessen wiskunde en wetenschappen, dat probeert duidelijk te maken waar ingenieurs zoal mee bezig zijn. Die cd-rom gaan we onder meer verdelen op een studiedag voor leerkrachten over het bachelorprogramma.”