“De ontwikkelingssamenwerking is een vrije markt geworden”

(c) Lisa Develtere
Patrick Develtere: "De toegang tot onderwijs is vaak te danken aan ontwikkelingssamenwerking."
(c) Lisa Develtere
Met zijn nieuwe boek How do we help? geeft Patrick Develtere munitie aan degenen die de ontwikkelingssamenwerking moeten verdedigen. Want hij bewijst dát en hóe ze werkt. Toch houdt hij de sector ook een spiegel voor. “Het is goed dat landen in het Zuiden nu beseffen dat ze niet uitsluitend naar de pijpen van de klassieke donoren moeten dansen.”

Professor Patrick Develtere, verbonden aan HIVA – Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving, buigt zich al 25 jaar over ontwikkelingssamenwerking. De sector bestaat ruim 50 jaar. Twee symbolische getallen die noopten tot een boek? “Nee nee, dat is toeval”, lacht Develtere. “Maar wat ik schrijf is geen toeval. De sector is de laatste vijf tot tien jaar helemaal aan het veranderen. De belangrijkste trend is de vermaatschappelijking: iedereen doet aan ontwikkelingssamenwerking. De klassieke, westerse donoren worden voorbijgestoken door nieuwe spelers met een eigen aanpak – zoals de Chinezen, Brazilianen, Zuid-Afrikanen en Turken – en tegelijk starten scholen, universiteiten en organisaties hun eigen projecten.”

“Die evolutie was onvermijdelijk en zal nog toenemen. De klassieke donoren moeten beseffen dat het verder gaat dan Noord-Zuidhulp. In deze geglobaliseerde wereld kan iedereen overal contacten leggen. Zo werd de ontwikkelingssamenwerking een vrije markt, waar maar een beperkte set aan normen bestaat die bepaalt wie eraan deelneemt – en hoe.”

“In tegenstelling tot veel klassieke spelers ben ik niet zo ongerust over al dat welwillend geweld. Het creëert hier verantwoordelijkheidszin en een groter draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking. Bovendien kunnen de ontwikkelingslanden nu uit een grotere groep donoren de partners kiezen die hun plannen willen uitvoeren zoals zij dat willen. Dat vergroot de kans op ownership en geeft die landen een comfortabeler en zelfzekerder gevoel. Met name op het Afrikaanse continent was het lage zelfbeeld – dat wij mee in stand hielden – lang een remmende factor voor de ontwikkeling.”

“Het Westen legt hen ook vaak condities op, over mensenrechten, politiek of economie. Natuurlijk zijn die nuttig en ik hoop dat we ernaar zullen blijven streven, maar er zijn geen bewijzen dat die condities enig effect hebben gehad. Alles bij elkaar vind ik het goed dat de landen in het Zuiden beseffen dat ze niet uitsluitend naar de pijpen moeten dansen van de klassieke donoren.”

Ook met de Chinezen

Develtere nuanceert de westerse kritiek op met name China, dat zeer ruw en inhalig tewerk zou gaan. “Ik sprak er al over met Chinese collega’s: wij, westerlingen, zien onze ontwikkelingssamenwerking als een zuiver instrument. Daarnaast doen we aan handel en diplomatie. De Chinezen vinden dat een artificiële scheiding. We mogen ook geen appelen met peren vergelijken. Als we de Chinese mijnbouw in een ontwikkelingsgebied bekritiseren, moeten we die vergelijken met de Amerikaanse en Australische mijnbouw in de regio, en moeten we ook oog hebben voor de hospitalen, universiteiten en antimalariaprojecten van de Chinezen. Het effect van die nieuwe aanpak kennen we niet. We weten dat niet eens van de 130 miljard dollar die wij westerlingen per jaar investeren, laat staan van de 15 miljard van de nieuwe donoren.”

Develtere is kritisch voor alle donoren. “De klassieke spelers moeten dringend definiëren wat goede ontwikkelingssamenwerking is. Dat is cruciaal als ze de voorhoede willen blijven. Zij moeten de specialisten worden, want zij zijn er al jaren voltijds mee bezig, terwijl het voor anderen soms een bijzaak is. Toch moeten ze de nieuwe donoren niet met de nek aankijken, maar er allianties mee smeden om samen een nog beter verhaal te schrijven.”

Twee kopjes koffie

“Het boek is niet normatief, maar impliciet haal ik toch soms uit. Alsof mijn analyse zegt: ‘Kijk eens hoe je je gedraagt.’ Zo is het verrassend aan wie er wordt gegeven. In de top tien van ontvangende landen staan maar drie Afrikaanse landen en prijken Irak en Afghanistan bovenaan. In de war on terror gebruiken we ontwikkelingssamenwerking als een extra hefboom voor regimeverandering. Commerciële belangen zijn ook nooit ver weg, en ex-kolonies en Engelstalige landen krijgen voorrang. Conclusie? Ontwikkelingssamenwerking gaat maar in heel beperkte mate naar de armste landen. Ze vraagt zich niet af ‘Wie heeft het meest hulp nodig?’ maar ‘Wie willen wij het liefst helpen?’”

“Ik ben ook positief: er is veel gerealiseerd. De wereld is pokken- en bijna poliovrij. De toegang tot drinkbaar water en onderwijs, de vrije pers en democratie zijn vaak in belangrijke mate prestaties van ontwikkelingssamenwerking. Mensen die zich moeten verdedigen tegen degenen die beweren dat ontwikkelingshulp niet werkt, krijgen van mij het wetenschappelijke bewijs van het tegendeel, en het ondersteunt hun roep om meer middelen. Want wat we nu geven is ondermaats: slechts 0,3% van de welvaart van de rijke landen.”

“Het is geen evidente boodschap, maar ontwikkeling in het Zuiden is een absolute voorwaarde voor de welvaart in het Noorden en voor een duurzame wereld. Zie het desnoods dus als een verlichte vorm van eigenbelang. En laat ons wel wezen: wat we nu geven, komt ongeveer overeen met één kopje koffie per westerling per week. Twee kopjes zou niet overdreven zijn hé?”

‘How do we help? The free market in development aid’, Universitaire Pers Leuven, 29,95 euro

Campuskrant mag drie exemplaren van het boek weggeven. Stuur voor 20 april een mailtje met titel ‘boek Develtere’ naar campuskrant@kuleuven.be. De winnaars worden persoonlijk op de hoogte gebracht.