KU Leuven nieuws
- Onderzoek
- Onderwijs
- Personeel
- Studenten
- Alumni
- Internationaal
- Beleid
- Uw bericht
- Over Campuskrant
- Contact
- Overzicht artikels
- Ad Valvas-berichten
Na september-oktober 2013 zal het Vlaamse hoger onderwijs er nooit meer hetzelfde uitzien. Dan wordt de sluitsteen aangebracht in de nieuwe structuur waarin de academiserende opleidingen van de hogescholen in de universiteiten integreren. “Ons volledige hoger onderwijs krijgt hiermee een kwaliteitsupgrade”, zegt rector Mark Waer.
Wie zich de laatste tien jaar niet op Saturnus bevond, weet waarover het gaat. De structuur van ons Vlaamse hoger onderwijs was bij het aantreden van de 21ste eeuw niet meer berekend op de snelle internationale ontwikkelingen. De drieledige structuur was ‘onvertaalbaar’ en zadelde ons dus op met een concurrentieel nadeel. Via de oprichting van de associaties werd de weg van de zogenaamde academisering uitgetekend: het vroegere ‘hoger onderwijs van het lange type’ diende onderzoeksgebaseerd te worden en naar de universiteit toe te navigeren. Dat vergde op zijn beurt een sterke toenadering tussen de academiserende opleidingen en de universiteit, die het onderzoek diende aan te sturen. Inmiddels is die toenadering zover gevorderd dat de tijd rijp is voor de laatste stap: de integratie.Integratie betekent een sterke institutionele verwevenheid tussen de universiteit en de hogescholen die de geacademiseerde, onderzoeksgebaseerde opleidingen aanbieden. De universiteit zal die opleidingen overnemen en wordt verantwoordelijk voor de uitgereikte diploma’s, voor het onderwijs- en onderzoeksbeleid van de geacademiseerde opleidingen, de kwaliteitszorg voor onderwijs en onderzoek, en voor het personeelsbeleid betrokken bij deze opleidingen. Concreet betekent dit dat een student journalistiek die nu aan een hogeschool studeert, een student van KU Leuven wordt en dus ook een diploma van de KU Leuven zal krijgen. Het personeel betrokken bij deze opleidingen zal eveneens KU Leuven-personeel zijn.
Integratie is een breed begrip, maar er zijn twee belangrijke uitzonderingen. De professionele opleidingen integreren niet en blijven onder de volle verantwoordelijkheid van de hogescholen. Wel worden de nu al bestaande samenwerkingsverbanden tussen professionele en academische opleidingen versterkt. De Associatie KU Leuven zal het belangrijkste forum zijn waarin die samenwerking geconcretiseerd wordt. Verder integreren ook de academische kunstopleidingen niet. Zowel de academische als de professionele kunstopleidingen worden in een aparte structuur – schools of arts – ondergebracht, en zij worden bestuurd door vertegenwoordigers van de hogescholen en van de geassocieerde universiteiten. Ook hier zorgt de Associatie KU Leuven voor samenwerking via dwarsverbanden.
De academische architectuuropleidingen van de hogescholen integreren dan weer wel: architectuur wordt – net als industriële ingenieurswetenschappen eerder – dit jaar nog een aparte faculteit.
De zin
Een hele boterham, dus. Maar moeten we daar eigenlijk allemaal wel zo blij om zijn? “Absoluut. Het gaat om een ontwikkeling die ons hoger onderwijs echt wel stérker zal maken”, zegt rector Mark Waer. “Je zal altijd wel zwartkijkers hebben, maar ik stel vast dat zowel in de universiteit als in de hogescholen de overgrote meerderheid het belang en de mogelijkheden van de ontwikkelingen goed aanvoelt. Ik wuif de bezorgdheid echter niet weg. Aan de universiteit wil men bijvoorbeeld de garantie dat er voldoende tijd en ruimte blijft voor onderzoek, en in de hogescholen wil men de kanalen voor lokale interactie vrijwaren. Ik bezoek nu en in het najaar alle hogescholen, en ik discussieer met iedereen over wat de garanties en de mogelijkheden van de nieuwe structuur zijn.”
“De kern van de integratie, de zin, kan je vertalen in drie aspecten. Er is ten eerste de onderzoeksgebaseerdheid, waardoor ons volledige hoger onderwijs een kwaliteitsupgrade krijgt. Om in een kennissamenleving mee te tellen, is dat onmisbaar. Ten tweede komt er een grotere continuïteit in het onderzoeksspectrum, van heel fundamenteel tot heel toegepast, met alle gradaties daartussen. Dat is zowel voor de wetenschap als voor de samenleving een erg veelbelovende ontwikkeling. En ten derde zal de nieuwe structuur een nieuwe democratiseringsbeweging van ons onderwijs tot gevolg hebben. Jongeren kiezen hun opleiding erg regionaal. De integratie brengt het universitair onderwijs veel dichter in hun buurt en maakt het voor hen dus evidenter om een diploma met een universitair kwaliteitslabel te behalen.”
Geen verloren talent
“Uiteraard moet dat kwaliteitslabel bewaakt worden. Dat verloopt in dezelfde geest als wat we al zoveel jaren doen in de faculteiten en hun opleidingen. Die hebben een grote autonomie over de invulling van het onderwijs, maar er wordt op diverse manieren op toegezien dat de nodige kwaliteit gehaald wordt. Dat zal een deel van de taak zijn van de academisch beheerders. Die hebben het statuut van vicerector, en rapporteert als zodanig aan de Academische Raad en het Gebu (Gemeenschappelijk Bureau – red.). Onze mechanismen van evaluatie en accreditatie wérken, en ik twijfel er niet aan dat dat ook in de nieuwe structuur zo zal blijven, eventueel met preventieve bijsturing.”
“Ik zie in de integratie ook een schitterende opportuniteit voor de bedrijfswereld. Die heeft nu al een heel goede aansluiting met het eerder toepassingsgericht onderzoek van de hogescholen. Door de nieuwe continuïteit ontstaat ook een nauwer contact met het bij uitstek multidisciplinaire onderzoek van de universiteit – een contact in twee richtingen, natuurlijk.”
“De nieuwe structuur, met zijn vele in- en overstapmogelijkheden, maakt ook ruimte voor een bredere rekruteringsbasis. Door de vele bruggen tussen hogeschool en universiteit vergroten we de zekerheid dat er geen talent verloren gaat.”
“Een belangrijke opmerking nog. De integratie mag niét het signaal geven dat de professionele bachelor een soort restant wordt – integendeel! Ook voor de professionele bachelors is de ‘verwetenschappelijking’ van het onderwijs een winstpunt. In het heel praktische werk, bijvoorbeeld de verbetering van een productiemethode, is aangepaste wetenschappelijke inbreng immers van groot belang. Ik verwacht trouwens – maar dit is koffiedik kijken – dat het huidige onderscheid tussen professionele en academische bachelors gaandeweg zal verdwijnen, met één bachelor als resultaat: voldoende breed, voldoende praktisch en voldoende wetenschappelijk. Maar laten we eerst déze fase afronden. Er is nog werk genoeg, want we willen natuurlijk alle werkwijzen tegen september 2013 volledig op de rails hebben, wat op een aantal niveaus trouwens nu al een feit is.”