Gevonden voorwerp: versteende boomstronken

© KU Leuven - Rob Stevens
Paleontoloog Robert Speijer met een krasse knar: een 56 miljoen jaar oude versteende boomstronk.
© KU Leuven - Rob Stevens
Elke maand gaan we op zoek naar het verhaal achter een opmerkelijk voorwerp dat zich ergens binnen de muren van de universiteit bevindt. Aan de ingang van het Geo-Instituut in Heverlee staat een intrigerend trio fossielen.

Het zijn versteende boomstronken van zo’n 56 miljoen jaar oud, weet paleontoloog professor Robert Speijer: “Overblijfselen van een moerasbos in de buurt van Hoegaarden. Mogelijk maakte dat deel uit van een groter woud – in Overlaar, Oorbeek en Wommersom zijn gelijkaardige stronken gevonden.”

Het hout wordt Glyptostroboxylon genoemd omdat het sterk lijkt op dat van de Chinese moerascipres Glyptostrobus, die voorkomt in Zuidoost-Azië. Gelijkaardige bomen, van het geslacht Taxodium, zie je in de moerassen in het zuidoosten van de VS. Het zijn coniferen die tot duizend jaar oud en 45 meter hoog worden, en waarvan de stam een omtrek van vijf meter kan bereiken. Aan de oever van de Dijle op onze campus staan trouwens ook enkele – aangeplante – moerascipressen – ik kan ze helaas net niet zien vanuit mijn kantoor (lacht).”

“Onze stronken dateren uit het Paleoceen-Eocene thermische maximum of PETM, een tijd waarin de aarde plotseling snel opwarmde. Er heerste in onze streken een subtropisch vochtig klimaat, met een gemiddelde temperatuur van zeker 25 graden. De zeespiegel lag door het ontbreken van ijskappen veel hoger, en daardoor waren grote delen van West-Europa met water bedekt.”

Moerascipressen staan met het onderste deel van de stam in ondiep water en dat verklaart waarom deze delen zijn versteend, in hun oorspronkelijke verticale positie. “Opgelost silica in het grondwater, vermoedelijk afkomstig van kiezelige fossielen in de ondergrond, heeft het hout na het afsterven van de boom heel langzaam, molecule per molecule, omgezet in kiezel, terwijl het hogere deel van de bomen, dat niet door zo’n sedimentlaag was beschermd, is weggerot. Bij die verkiezeling bleef de houtstructuur volledig bewaard. Zo zijn de groeiringen vaak nog duidelijk te onderscheiden.”

“Een deel van de bomen kwam al in 1970 aan het licht, bij de aanleg van de E40, maar kon toen niet worden gered. Bij de aanleg van de hst-lijn Brussel-Keulen, in 2000, werd wel een groot aantal stronken uitgegraven en bewaard. Sommige exemplaren waren een ton zwaar ... Op de site in Hoegaarden werd een geopark ingericht, je kan er een aantal stronken in situ bekijken.”

En drie stronken kwamen dus terecht in Heverlee. “Wij bestuderen hier onder meer de relatie tussen klimatologische en biologische veranderingen tijdens het PETM, aan de hand van sedimentaire afzettingen in verschillende gebieden wereldwijd. Welke organismen stierven uit, welke migreerden en welke hadden juist voordeel bij de opwarming? Tot de laatste groep behoort één van onze vroegste voorouders, het aapje Teilhardina, dat tijdens deze periode zijn woongebied van Zuidoost-Azië wist uit te breiden tot Noord-Amerika en Europa – er zijn tandjes teruggevonden in Dormaal, tussen Tienen en Sint-Truiden. Dat was een belangrijke stap in de opkomst en bloei van de primaten tijdens het vroege Eoceen. Heel bijzonder dat we zo dichtbij huis net uit dié periode overblijfselen hebben teruggevonden ...”

Ine Van Houdenhove