Leven na Leuven: profvoetballer Joris Van Hout

Studenten die de ambitie koesteren om studie en topsport te combineren, zien zich - en dat in wat de tijd van hun leven zou moeten zijn! - voor twee tijdrovende en moeilijk te verenigen opdrachten geplaatst. Joris Van Hout (26), licentiaat lichamelijke opvoeding en profvoetballer in de Duitse Bundesliga, is een van de witte raven die de uitdaging tot een goed einde brachten.

De aankomst van Joris Van Hout in de Spuye, de kantine van het Universitair Sportcentrum en onze plaats van afspraak, is een feest van herkenning voor de aanwezige entourage van de universitaire voetbalploeg, waarvoor Joris als student nog een balletje trapte. Ook present is professor Anne Noë, bondscoach van het nationale dameselftal: “Schitterend, hè! Voor de jongeren van Topsport Leuven, aan wie we voetballes geven, halen we Joris nog steeds aan als hét voorbeeld van iemand die studie en topsport met succes gecombineerd heeft.”
Joris Van Hout is een Kempenzoon in hart en nieren. Geboren in Mol, in 1977, en getogen in Dessel, liep hij school in het Turnhoutse Sint-Pietersintituut. In 1995 begon hij in Leuven zijn studie lichamelijke opvoeding. “Dat was geen moeilijke keuze”, herinnert hij zich, “omdat ik altijd graag en veel aan sport heb gedaan. En dat mijn vader hier zowel kinesitherapie als lichamelijke opvoeding heeft gestudeerd, speelde natuurlijk mee in mijn beslissing om aan het Sportkot te gaan studeren.”
Van Hout was van kindsbeen af gebeten door de voetbalmicrobe. “Die zat in de familie. Vader speelde bij de eerste ploeg van Dessel Sport, net als later één van mijn broers. Zolang ik me kan herinneren, staat mijn leven in het teken van voetbal. Zelfs spelen en ravotten deed ik als kind liefst met een bal, van verstoppertje tot balleke stamp. Op mijn zevende begon ik in clubverband te voetballen, bij Dessel. Ik doorliep er alle jeugdreeksen en maakte als achttienjarige, tijdens mijn eerste jaar in Leuven, mijn opwachting in de spits van de eerste ploeg. In 1998, na een succesvol seizoen in vierde, twee in derde en één in tweede klasse, kon ik naar K.V. Mechelen vertrekken. Daar werd ik profvoetballer.”
Van Hout miste zijn entree in Malinwa niet. Tijdens zijn eerste seizoen bij de club, die toen in tweede klasse speelde, scoorde hij 17 keer en behaalde zijn team de kampioenstitel. Maar na een jaar in de eerste divisie keerden de kansen van de veelgeplaagde club. “In Mechelen trof ik een turbulente omgeving aan. Tijdens de drie jaar dat ik er speelde, passeerden er maar liefst vijf trainers de revue. Ook die kregen de K.V.-trein niet op het juiste spoor, zodat we in 2001, na een kort verblijf in eerste klasse, opnieuw degradeerden.”

Vreemde eend
Van Houts debuut in de hoogste voetbalklasse viel samen met zijn laatste academiejaar in Leuven. De jonge profvoetballer ondervond aan den lijve hoe moeilijk het is om twee heren te dienen. “Het was een behoorlijk zware combinatie. Na enkele jaren, vanaf mijn periode bij Mechelen, kon ik gelukkig terugvallen op het statuut van topsportstudent. Daarmee kon ik makkelijker een soepele regeling krijgen voor afwezigheden tijdens de lessen, en ik kon mijn examens spreiden. Maar zo'n bijzonder statuut doet natuurlijk niets af aan de moeilijkheidsgraad van de studie.”
Ook in voetbalmiddens was Van Hout, die zijn eindverhandeling schreef over de rol van talent, fysieke vroegrijpheid en training in het voetbal, een vreemde eend in de bijt. “De meeste mensen in het milieu vonden het knap dat ik studeerde. Er zijn nu eenmaal weinig voetballers met een universitair diploma. Toch gaf mijn omgeving me, terecht, vaak het gevoel dat de studie niet mocht wegen op mijn inzet voor de sport. Als je er eenmaal voor kiest om studie en topsport te combineren, is het belangrijk dat de twee voor jezelf steeds even belangrijk blijven. Ofwel kies je voor de volledige toewijding aan beide, ofwel stop je er eenvoudigweg mee. Toegegeven, er zijn momenten geweest waarop dat dubbelleven me ei zo na te veel werd, maar ik heb doorgezet, en het is me gelukt.”
Toen in 2001 de degradatie dreigde voor K.V. Mechelen, had Van Hout al een vierjarig contract op zak bij topclub R.S.C. Anderlecht. Toch was zijn verblijf bij de toenmalige landskampioen van korte duur. “Aimé Antheunis, de vorige trainer van de ploeg, plaatste me steevast in de achterhoede van de opstelling. Vaak moest ik zelfs als verdediger het veld op, en die positie lag me niet. Na dat eerste jaar in Anderlecht besloot ik voortaan resoluut voor een plaats in de aanval te gaan. Net de plaats waarvoor de concurrentie, zeker bij paars-wit, doorgaans zeer groot is. Toen op dat moment, in de zomer van 2002, het aanbod kwam om als aanvaller in de Duitse Bundesliga te gaan spelen, heb ik die kans dan ook gegrepen.”

Noodlot
De Duitse club die zich van 2002 tot 2006 van Van Houts diensten verzekerde, was Borussia Mönchengladbach. Van Hout kende er een sterke eerste seizoenshelft, waarin hij zes keer scoorde. Vlak voor de winterstop sloeg het noodlot echter toe, toen hij in een ongelukkig duel de kruisbanden van de rechterknie scheurde. Hij kon de rest van het seizoen meteen vergeten. “In december ben ik geopereerd in Keulen, en minder dan een maand later is mijn eigenlijke revalidatie begonnen. Het zal nog een twee- tot drietal maanden aan kracht- en uithoudingstraining vragen voor ik opnieuw wedstrijdfit ben. Op dat moment is de competitie voorbij, dus is het zaak om alles te zetten op het volgende seizoen.”
Toch heeft hij nog geen moment spijt gehad van zijn verhuis naar Gladbach. “Zware blessures horen nu eenmaal bij het spel, elke voetballer maakt er wel één mee in zijn carrière. Al hoop ik natuurlijk dat het voor mij hierbij blijft.”
Wat zijn de verschillen tussen het Duitse en het Belgische voetbal? “Niet alleen de toeschouwersaantallen zijn groter in Duitsland, voetbal wordt er ook op een heel andere manier beleefd. Het is er nog veel meer een volkssport. Vader en moeder komen er met hun kroost naar het stadion, en als je voor de match door de straten in de omgeving struint, zie je her en der de supporters van de thuisclub verbroederen met de bezoekers. Ook hooliganisme is er een veel minder groot probleem. De sport heeft er letterlijk en figuurlijk een meer familiaal karakter. Hoewel Gladbach op dit moment sportief geen hoge toppen scheert - we staan voorlaatste in de stand - heeft de club een sterke traditie. Die maakt dat er voor elke thuiswedstrijd steevast minstens 30 à 35.000 supporters opdagen. En als we tegen toppers als Schalke, Dortmund of Bayern de grasmat op moeten, spelen we zelfs voor tweemaal zoveel volk. Dat vind je in België niet. Als je in zulke omstandigheden een goede wedstrijd speelt, of zelfs kunt scoren, dan weet je: hier gaat niets boven. Daarvoor doe ik het.”
Toch is Joris Van Hout niet gewonnen voor een verhuis naar Duitsland. “Absoluut niet. Ik ben erg gehecht aan mijn geboortestreek, en het is mijn vaste voornemen om op het eind van mijn carrière naar huis terug te keren.” Ook als over een aantal jaar gouden kansen wenken in de Engelse Premier League of het Italiaanse Calcio? “Hmm, dat hangt ervanaf. Als je in die competities wilt gaan spelen, dan moet je sowieso verhuizen. In elk geval zou ik er zeker van willen zijn dat ik aan spelen toe zou komen... Al neemt die onzekerheid niet weg dat het voor mij een droom is om op zo'n hoog niveau te spelen.”
Terwijl onze nationale bondscoach hem prijst om zijn polyvalentie, en de Duitsers er niet voor terugdeinzen hem te vergelijken met die andere Bundesliga-legionair, publiekslieveling en ‘Kampfschwein' Marc Wilmots, heeft Joris Van Hout geenszins last van sterallures.
“Ik probeer steeds alles te geven. Ik weet dat ik het moet het hebben van hard werken, en ik tracht, ook als spits, veel te lopen, mee te verdedigen, te knokken en duels aan te gaan. Die manier van spelen heeft me nog nooit verhinderd om regelmatig mijn goaltje mee te pikken. Als dat volstaat om in aanmerking te komen voor de nationale ploeg, des te beter. Ik heb het voetbal gelukkig steeds vrij goed kunnen relativeren. Ik kan er inkomen dat er sporters zijn die het moeilijk hebben om beide voeten stevig op de grond te houden, maar voor mij is dat absoluut geen probleem. En dat lijkt me één van de redenen waarom ik het zover geschopt heb.”