Steunpunt Sport, Beweging en Gezondheid

Hoewel de Westerse mens zich op de meest waanzinnige diëten stort en zich het pleuris fitnest, wordt hij steeds zwaarder. Een degelijk onderzoek naar het verband tussen fysieke activiteit en gezondheid is dus geen overbodige luxe. Vlaanderen heeft daarom het Steunpunt Sport, Beweging en Gezondheid opgericht, dat zijn stek heeft in de studentenwijk Arenberg I, net onder Alma 3.

Binnen het Steunpunt werken de faculteiten Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie van de K.U.Leuven en de VUB samen met de Vakgroep Bewegings- en Sport-wetenschappen van de Faculteit Geneeskunde en Gezondheidsweten-schappen van de UGent. Guido Steens, directeur van het Steunpunt, geeft tekst en uitleg. “Op dit moment voeren we de zogenaamde ‘nulmeting' uit - de term wijst erop dat er nog profielschalen moeten opgesteld worden. We testen de fysieke paraatheid van de doorsnee Vlaming op basis van zo'n 8.000 proefpersonen tussen 18 en 75 jaar. Elke week slaan we onze tenten op in een Vlaamse gemeente, waar we vijf werkdagen aan een stuk een honderdvijftigtal mensen evalueren. Eerst meten we hun bloeddruk en longinhoud, vervolgens vullen de vrijwilligers vragenlijsten in over hun gezondheid en dagelijkse fysieke activiteit. Daarna gaan we de fitheid en de verschillende lichaamsmaten van onze proefpersonen na.”

Fitobiel
Steens brengt ons naar een zaal met uiteenlopende constructies die het proefkonijn op kracht, evenwicht, lenigheid, coördinatie, snelheid en uithouding testen. Steens: “Lenigheid wordt bijvoorbeeld getest door op dit bankje te gaan zitten en de handen naar de tenen uit te strekken. Hoe verder je handen op deze geijkte plank reiken, hoe leniger je bent. Snelheid wordt dan weer bepaald door de tijd te meten die het je kost om de afstand tussen deze twee lijnen vijf keer af te leggen. Deze reeks eenvoudige proeven maakt deel uit van de ‘eurofit-testbatterij': een minimaal aantal tests om een maximaal aantal parameters in kaart te brengen. Vlaanderen heeft een pioniersrol gespeeld bij het ontwikkelen van deze testbatterij.”
Een steunpunt dat beweging promoot, is natuurlijk ook zelf beweeglijk. Steens: “We hebben geen polyvalente sportzaal nodig: alle materiaal past in een voertuig, onze ‘fitobiel', en kan op vrijwel elke locatie gebruikt worden. Een ander deel van het instrumentarium wenden we aan voor ons tweede project: in het labo verrichten we nauwkeurigere metingen op ongeveer een tiende van het oorspronkelijke aantal proefpersonen. Dit tweede luik spitst zich toe op de verbanden die gelegd kunnen worden: in hoeverre zijn mensen die sporten bijvoorbeeld gezonder.”
De proefpersonen worden niet aan hun lot overgelaten, maar kunnen op een intensieve begeleiding rekenen. Steens: “Ze krijgen voortdurende feedback en een uitgebreide medische screening. Ook zorgen we ervoor dat alles in uitermate veilige omstandigheden gebeurt. Rijst er de minste twijfel of iemand een bepaald niveau aankan, dan wordt hij aan een lichtere proef onderworpen, of zelfs helemaal niet. In bepaalde gevallen verwijzen we de persoon door naar de huisarts of specialist.”
Hoe zit het nu eigenlijk met de fysieke capaciteiten van de modale Vlaming in vergelijking met buitenlanders? Mogen we in de toekomst een massieve berg Olympisch goud verwachten? Steens: “Wel, de resultaten zijn moeilijk te vergelijken. De verschillende landen gebruiken verschillende methodes. Ook binnen Vlaanderen hadden we dit probleem, maar onder meer dankzij dit Steunpunt is er toch een standaardprocedure uitgewerkt. Als vertegenwoordiger van het Steunpunt mag ik geen voorbarige conclusies trekken op basis van onvolledige metingen. Tussentijdse resultaten van de lopende projecten verwachten we pas vanaf 2004. Vanaf dan zullen ook de gedelokaliseerde interventiestudies op volle kracht lopen: aan de verschillende universiteiten krijgen vrijwilligers uit specifieke doelgroepen, senioren bijvoorbeeld, een trainingsprogramma opgelegd en worden ze vergeleken met een controlegroep. Ten slotte willen we ook een inventaris van letsels opmaken: welke komen het vaakst voor en hoe kunnen ze vermeden worden?”