KU Leuven nieuws
- Onderzoek
- Onderwijs
- Personeel
- Studenten
- Alumni
- Internationaal
- Beleid
- Uw bericht
- Over Campuskrant
- Contact
- Overzicht artikels
- Ad Valvas-berichten
Wim Veen is hoogleraar in de Faculteit TBM - Techniek, Bestuur en Management - en programmadirecteur van het Delfts ICTO-programma. ICTO, zo weet iedereen in deze tijd van afk., staat voor Informatie- en Communicatietechnologie in het Onderwijs. Hij is een man met een eigen kijk op onderwijszaken, zo bleek.
“De TU Delft wil een vooraanstaande positie innemen op onderwijsvlak, onder meer via de invoering van een tweejarenplan rond ICT in het onderwijs. Dat plan combineert onderwijsondersteuning, maar houdt ook rekening met de primaire processen, het onderwijs zelf dus. Een centraal element is de invoering van Blackboard, een gestandaardiseerde elektronische leeromgeving die over de hele universiteit gebruikt zal worden. Daarop worden een aantal pakketten geënt, bijvoorbeeld rond het online analyseren van toetsen, tentamenaanmelding enzovoort.”
Nieuwe rol van de student
“We financieren projecten waarin een faculteit voor een deel van het curriculum ICT inzet om onderwijs te geven. Dat is wel belangrijk: het moet gaan om een faculteit, niet om een individuele hoogleraar. Bovendien moet het gaan om niéuwe projecten, die echt wel wat meer inhouden dan eventjes een website voor een bepaald vak op te zetten. En er wordt een ingrijpend financieel engagement van de faculteit gevraagd, tot 50 procent van de projectkosten.”
“De bedoeling is om tot een heel nieuwe soort van onderwijs te komen, met nieuwe rollen voor de student, de docent, externe personen enzovoort, met nieuwe werkvormen, nieuwe manieren van contact, noem maar op. De student wordt expliciet mee verantwoordelijk voor de uitbouw van zijn leerproject. Hij zal ook zichzelf moeten evalueren enzovoort. Een mooi voorbeeld loopt momenteel bij Bouwkunde. Leren ontwerpen wordt daar op een heel nieuwe manier aangepakt. Vroeger waren de docenten en de verschillende fasen in het ontwerp sterk van elkaar gescheiden, waardoor één en ander vaak minder goed verliep.”
“Van de student wordt verwacht dat hij kennis toevoegt aan het kennismanagementsysteem. De studenten worden ingedeeld in groepen, en iedereen heeft een eigen taak. Eentje is scout, een andere zal modereren, nog een andere is editor, enzovoort. Iedereen produceert dus een individuele bijdrage, die in zijn portfolio komt. Op die manier leert hij niet alleen omgaan met de nieuwe media, maar hij wordt ook veel effectiever voorbereid op zijn latere beroepsomgeving, die heel sterk gericht is op samenwerking. Ook dàt is een deel van het leerproces.”
Geen romantiek
“De TU ziet haar ICT-implementatie behoorlijk grootschalig. Dat moét ook. Onderwijs is business geworden, graag of niet. MIT en Princeton plannen een dépendance in Europa, en ze gooien daar 800 miljoen dollar tegenaan. Tegen zoiets moet je niet willen concurreren met een computertje of twee, en een website van drie pagina's. Je moet er van uitgaan dat je over een paar jaar te maken krijgt met studenten die even goed een diploma van Princeton kunnen halen als één van Delft - ik heb het even niet over de financiële drempels. Dàt is de realiteit.”
“Ik word soms niet goed als ik dat romantisch gezwets hoor over de veronderstelde waarde van contactonderwijs. Ik zal je wat zeggen: na twee weken is de retentiewaarde van een hoorcollege, dus wat je er van overhoudt, teruggevallen op 5 procent ... Ik voel er niets voor om dat te idealiseren. Pas op: als contactonderwijs iets unieks is, bijvoorbeeld wanneer je beschikt over heel gespecialiseerde docenten, in kleine groepjes, dan wordt het iets anders. Maar in het algemeen de voorkeur geven aan contactonderwijs is eenvoudig achterhaald. Ik beweer ook niet dat ICT een toverstokje is. Maar ik beweer wel dat je met ICT als instrument binnen een resoluut nieuwe onderwijsvisie, betere resultaten boekt. ICT is trouwens méér dan alleen maar een instrument. Het is geen ‘elektronische versie van een boek' of zo. Het gaat om een herdefiniëring van de deelnemers aan het leerproces, héél ingrijpend dus. Je moet er ook rekening mee houden dat de student van nu een heel ander iemand is dan pakweg een student van 20 jaar geleden. Een student die nu begint, heeft al 18.000 uur tv gekeken, en 6.000 uur computer. Je mag hem dus stilaan gaan beschouwen als een homo zapiens. Je moet daar niet over zeuren, je moet die gewijzigde situatie gewoon gebruiken. Daar moet je als onderwijsplanner rekening mee houden. Het zijn boeiende tijden voor ons hoor ...”