Column: 000

Zoals iedereen die kan spreken of schrijven, heb ook ik in deze barre lentetijden een Kosovo-boodschap. Die bestaat uit een citaat. Ik haal dat uit de biografie van Karel de Grote door een zekere Ainhart. Die is recentelijk nog eens vertaald.
De Frank Karel de Grote voert een jarenlange oorlog tegen de naburige Saksen, om territoriale en om godsdienstige motieven: ‘Hij bleef daarmee doorgaan tot al degenen die zich verzetten definitief verslagen en aan zijn gezag onderworpen waren. Daarna pikte hij er tienduizend man uit, transporteerde ze met vrouwen en kinderen en verspreidde ze in een aan tal kleine groepjes her en der over Gallië en Germanië.’ Een voorbeeld van displacement, meldt de vertaler in een noot, en in een andere noot: ‘Na een Saksische rebellie liet Karel op één dag zowat vierduizend vijfhonderd Saksen onthoofden.’ (De propagandistische biograaf was dit even vergeten te vermelden.) Middeleeuwse toestanden. We zijn 1200 jaar en veel zogenaamde vooruitgang verder.
Ik hoop met u dat de Kosovo-miserie zo snel mogelijk ophoudt. Je hoeft geen columnist te zijn om dat naïefweg te wensen. Maar als het daar - en in Tsjetsjenië en in Soedan en bij de Koerden, zoals even geleden in Viëtnam en in Cambodja en in China en in Rwanda en in Bosnië, en nog langer geleden in Korea, in Biafra, in Rusland en in het Derde Rijk en vul maar aan, naar believen en naargelang van uw historische bagage - volgens de machtigen en de fanatici van ons aardklootje toch moet blijven duren, dan zal al het menselijk leed misschien één positief effect hebben.
Dit: dat al die millenniumgekken die nu Ardense kastelen en chique hotelsuites aan het afhuren zijn, diners van minstens duizend euro aan het reserveren zijn, als onnozele kinderen aan het trainen zijn in het afsteken van vuurwerk en het overwinnen van jetlags om twee of drie keer Nieuwjaar te kunnen vieren, nog vóór hun moment suprême het besef mogen krijgen dat er aan dit mensdom niet veel te vieren valt. Dat hun feestneus geïnfecteerd mag raken. Dat ze enkele seconden over twaalf op 1 januari 2000 in de spiegel kijken en daar een huilend Kosovaars kindergezicht mogen zien.
Het was 1.200 jaar geleden met Karel al niets, en het wordt nooit iets. De tranen van de Kosovaren zijn een metafoor voor de geschiedenis van deze en van andere eeuwen. Drie keer nul, en dat luidkeels vieren: een mooiere definitie van de species ‘mens’ is nauwelijks denkbaar. On est fou..